Stralingsblootstelling bij röntgenonderzoeken in de diergeneeskunde – risico’s en gevolgen voor de praktijk

 

In de dagelijkse praktijk van de diergeneeskunde is röntgendiagnostiek onmisbaar. In de praktijk doet zich echter vaak een probleem voor: sommige dieren kunnen niet worden gesedeerd en moeten tijdens het maken van de opname door de dierenarts, de dierenartsassistenten of de eigenaar worden vastgehouden en geïmmobiliseerd. Dit leidt tot blootstelling aan straling, die vaak wordt onderschat. Drie recente studies tonen aan dat dosimetrie, stralingsbeschermingsmaatregelen en een groter bewustzijn van de daadwerkelijke blootstelling aan straling van cruciaal belang zijn om mogelijke gezondheidsrisico’s tot een minimum te beperken.

Om de stralingsblootstelling betrouwbaar te bepalen, werden in de onderzoeken thermoluminescentiedosimeters (TLD’s) gebruikt om de stralingsdoses aan de ledematen en de organen te kwantificeren. De metingen vonden plaats zowel onder als boven de beschermende kleding, om de effectiviteit van loodschorten, schildklierbeschermers en maskers te beoordelen.

Blootstelling aan straling bij digitale röntgendiagnostiek

In een recent onderzoek (2025)1 werd de stralingsblootstelling bij digitale röntgenopnames van kleine dieren in totaal in 20 onderzoeken vastgesteld. vastgesteld. TLD’s werden aangebracht op de huid van de dieren, op de handen en onder de loodschorten van de personen die de dieren vasthielden. De gemiddelde ingangsdosis op de huid van de dieren bedroeg 0,36 mGy.  Als gemiddelde handdosis voor de personen die de dieren in positie hielden, werd 0,35 mSv gemeten. De dosis voor het hele lichaam bedroeg 0,14 mSv. De stralingsblootstelling van de handen was dus aanzienlijk hoger, aangezien de handen ten minste gedeeltelijk direct aan de primaire straling werden blootgesteld. De auteurs benadrukten de noodzaak om in dierenartspraktijken het ALARA-principe („As Low As Reasonably Achievable“) consequent toe te passen. Dit omvat naast het consequente gebruik van beschermende kleding ook de optimalisatie van de beeldvormingsprotocollen.1

Verspreide straling bij handmatige fixatie van dieren

Oh et al. (2018)2 onderzochten de stralingsblootstelling van assistenten bij 778 röntgenonderzoeken van kleine dieren. TLD’s werden op vijf anatomische punten (ogen, schildklier, borst, geslachtsklieren, arm) aan de binnen- en buitenkant van de beschermingsuitrusting bevestigd. Zonder bescherming werden de hoogste doses gemeten bij de ogen en de schildklier, maar deze konden door passende stralingsbescherming met respectievelijk 92 % tot 99 % worden verminderd. De dosis aan de hand kon door geschikte bescherming slechts met ongeveer 49 % worden verminderd – vermoedelijk vanwege de nabijheid van de primaire straling. De studie toont aan dat volledige oogbescherming en het verminderen van handmatige fixaties essentiële stralingsbeschermingsmaatregelen zijn.2

Fluoroscopische onderzoeken en verhoogde blootstelling van de handen

Deze bevindingen komen grotendeels overeen met de studie van An et al. (2019).3 Ook hier werd bij 65 fluoroscopische onderzoeken de hoogste stralingsdosis gemeten aan de handen van de fixateurs (tot 8,29 mSv per onderzoek).  De stralingsdosis voor de ogen buiten de afscherming bedroeg ongeveer 25 % van de aanbevolen jaarlijkse limietwaarde voor de ooglens (20 mSv/jaar).4 De stralingsbeschermingsuitrusting bleek het meest effectief voor de ogen (81,9 % reductie), gevolgd door de geslachtsklieren (81 %) en de borst (63,7 %). Ook in deze studie was de reductie aan de handen minder uitgesproken (53,5 %). In vergelijking met andere lichaamsdelen was de stralingsdosis aan de hand ook binnen de beschermingsuitrusting hoog, wat waarschijnlijk ook kan worden toegeschreven aan de verstrooide straling die via de open armbescherming binnendrong.3

Conclusie

Het risico op blootstelling aan straling bij beeldvorming in de diergeneeskunde is reëel en betreft voornamelijk de ogen en handen. De beschermingsmaatregelen zijn weliswaar uiterst effectief, maar kunnen blootstelling niet volledig voorkomen. Daarom zijn volgens de auteurs van de drie studies consequente beschermingsstrategieën noodzakelijk:

  • het tot een minimum beperken van handmatige fixaties
  • correcte positionering in het stralingsveld
  • consequent gebruik van oogbescherming, handschoenen en loodschorten
  • regelmatige dosimetrie
  • toepassing van het ALARA-principe in het interne kwaliteitsmanagement van de praktijk
infografik strahlenbelastung2

Sources

1Saeedian E, et al. Thermoluminescence dosimetry in small animal digital radiography, the dose to animals, and their adopters. Radioprotection 2025, 60, 57-64.

2Oh H, et al. Restrainer exposure to scatter radiation in practical small animal radiography measured using thermoluminescent dosimeters. Veterinární medicína 2018, 63, 81-6.

3An J, et al. Evaluation of radiation exposure from fluoroscopic examination in small animal veterinary staff using thermoluminescent dosimeters. Veterinární medicína 2019, 64, 266-70.

4Stewart FA, et al. ICRP publication 118: ICRP statement on tissue reactions and early and late effects of radiation in normal tissues and organs–threshold doses for tissue reactions in a radiation protection context. Ann ICRP 2012, 41, 1-322.